Archive for the ‘citaten’ Category

Onbekende buren - bekende taal…

15:49

Blz.90:  ‘De Benrather Lijn  (…) vormt de fictieve scheidslijn die het Germaanse taalgebied in een zuidelijk Hoog-Duits en een noordelijk Neder-Duits deel opsplitste.
De Nederlanden lagen ten noorden van de Benrather Lijn en dus werd ook in de Nederlanden Neder-Duits gesproken. De termen Neder-Duits en Hoog-Duits zijn in de vijftiende eeuw voor het eerst in Nederland gebruikt en later in het Duits overgenomen. Veel Duitsers, ook hoogopgeleide, denken ten onrechte nog wel dat ‘hoog’ en ‘neder’ waardeoordelen inhouden en dat Hoog-Duits een aan het Neder-Duits superieure taal is. Hoog en Neder zijn echter simpele geografische aanduidingen. Hoog-Duits werd in de hoger gelegen gebieden gesproken en Neder-Duits in de gebieden in de benedenloop van de grote rivieren.’

Uit: “Onbekende buren” - DIK LINTHOUT - Uitgeverij Atlas - 1e druk, 2000 - ISBN 90 450 0204 3

Blz.91:  “Aan de Duitse hoven werd, zoals aan alle hoven in Europa, Frans gesproken. (…) Hoe de Duitse adel over de Duitse taal dacht, wordt geïllustreerd door de uitspraak van Karel V, van 1515 tot 1555 keizer van het Heilige Roomse Rijk: ‘Ik spreek Spaans tegen God, Italiaans tegen vrouwen, Frans tegen mannen en Duits tegen mijn paard.’

Voorplat van het boek van Dik Linthout

Voorplat van het boek van Dik Linthout

Blz.92:
“Het Neder-Duits is uiteindelijk alleen als dialect blijven bestaan. Het heet nu Plattdeutsch (platt = vlak) en wordt nog steeds door zo’n acht miljoen mensen gesproken. IN 1994 heeft de Duitse Bondsdag de niederdeutsche dialecten officieel als streektaal erkend. Sinds 1995 worden ook de Oost-Nederlandse dialecten, die door zo’n anderhalf miljoen mensen worden gesproken, onder de verzamelnaam Neder-Saksisch officieel als regionale taal erkend. De Neder-Saksische talen in Nederland en Duitsland lijken wel veel op elkaar, maar zijn onder invloed van de standaardtalen toch sterk uit elkaar gegroeid. In Duitsland wordt behalve Duits ook nog Fries, Deens, Sorbisch, Pools en Romani gesproken.”

Jan Boer: Op de grens…

22:51

Een oud boekje van de plank gehaald: Jan Boers “Op de grens tussen het Gronings en het Nederlands”, in 1972 uitgegeven door het Grunneger Genootschop. Opgedragen aan mevr.Toxopeus-Ufkes, toenmalige presidente van de provinciale Vrouwenraad in Groningen.

Een paar citaten:

Blz.6: “Het getuigt van randstedelijke geborneerdheid en van slechte smaak, als de radiopresentatoren of de cabaretiers de Groninger met zijn ‘natte t’ (Martsinitsoren) of zijn halfingeslikte eindlettergreep (stoel’n, deur’n) min of meer voor “boertje van buut’n” wil laten paraderen, om de valse schijn hoog te houden, dat dialectische klanken de medemens degraderen tot een tweede of derderangs staatsburger.”

Voorplat boekje Jan Boer, in 1972 verschenen bij het Grunneger Genootschop

Voorplat boekje Jan Boer, in 1972 verschenen bij het Grunneger Genootschop

Nee, ik mag/wij mogen niet mopperen….

22:40

(..)
“Weet u dat ik eens gehuild heb om een pannekoek?” zei de man tegen me.
“Als kind, zeker”, veronderstelde ik.
“Nee, als volwassen man”, zei hij. “Dat was in 1943. Mijn vrouw en ik zaten, met nog vier andere joden, ondergedoken bij een erg gelovig echtpaar. Baptisten, waren die mensen. Zeer fanatiek. De man zei eens tegen me: ‘Weet je dat ik die boom voor het huis, door de kracht van mijn gebed, kan verplaatsen?’ Ik zei: ‘Doe ‘t maar niet. Hij staat daar juist mooi.’ Merkwaardige mensen, die twee. We hebben er, met z’n zessen, anderhalf jaar gezeten en we aten elke dag suikerbietenpap, tot het je strot uitkwam. Terwijl hij onze bonkaarten, die we van de illegaliteit kregen, alle zes had. Goed, op een avond kregen ze visite. Een vriend. We zaten met z’n allen in de huiskamer. De vrouw stond op, liep naar de keuken en ging pannekoeken bakken. Die geur, meneer. Die heerlijke geur. Ik werd er bijna door bedwelmd. Toen de pannekoeken klaar waren, zei de man, die met zijn geloof een boom verplaatsen kon: ‘Alle onderduikers naar bed.’ We kregen géén pannekoek. En we gingen-gedwee. Toen heb ik in bed liggen huilen. Niet om die pannekoek. Maar uit woede, om onze vreselijke onmacht.”
(..)

Uit: “Ik mag niet mopperen” - SIMON CARMIGGELT - blz.87/88 - uitg.: De Arbeiderspers, 1e druk 1972 - Grote ABC 184

                       Ik mag niet mopperen

Limburg - carnaval - gemeenschap(szin)

23:23

Poar doagen leden haar k t over “gemeenschapszin”. As je nait oppazen, en dat dou k voak nait, speult zo’n woord je nog aalweg deur kop hìn, al bin je doagen wieder ien tied… k Lees nou n bouk van Bertus Aafjes. Schriever leeft nait meer, mor zien bouken wél. Ain doarvan is “Limburg, dierbaar oord”. (Joa, as Grunneger mout je of en tou grìnzen verleggen…) En wat komt mie doar in muide, op bladziede 32? Lees mor even mit:

(…)
Een van de merkwaardigheden van carnaval is dat men zich niet normaal beweegt - maar volgens een algemeen ritme. Extase heet dat. Men geraakt buiten zichzelf. Men komt in de toverschoenen te staan van de grote anonieme gemeenschap. Dat is de zin van carnaval. Zichzelf te verliezen - eenmaal in het jaar zichzelf vaarwel te zeggen - om voor enkele dagen tot dat grote anonieme lichaam te behoren dat gemeenschap heet. Daarna mag een mens weer Piet en Klaas worden en als heer zijn best doen een goed staatsburger te zijn.
(..)

Uit: “Limburg, dierbaar oord” - BERTUS AAFJES - blz.32/33 - Uitg. Meulenhoff, 1976 - OMslag: Charles Eyck ‘Carnaval in Limburg’ 

              Aafjes - Limburg, dierbaar oord

Gemeenschapszin en samenloop van omstandigheden

12:52

Vrijdagnommedag ging onverwachts deurbèle. Ik mit n 65+gang trappen of. Deur open. Jan Talen bie deure, mit n moat. ‘Big smile…’ Ik docht votdoadelk: dij mouten wat van mie… Manlu wazzen aan rit veur gemainte Zuudhörn, mozzen ze in Noordhörn bliksemonderzuik doun bie mìnsen op stroat over de vroag: “Is der nog gemainschopszin? Hou was dat vrouger, hou is dat nou, hou zel dat weden in toukomst?” k Heb even anderhaalve sekonde noadocht. “Kom der mor in, kinnen we t wel even over hebben…” En dat hebben we n uurtje doan. Gemainschopszin…. Wat is dat aigelks? As je lid worden van Dörpsbelangen, heb je n luddek beetje gemainschpszin, as je wat doun goan bie dörpshoes, of mithelpen bie Zeskamp of Zaipkistenrees, heb je wat meer gemainschopszin…
zeepkistenrace
As je naargens aan mitdoun en overal nee op zeggen, heb je nait veul gemainschopszin.. Nee, ik goa t vleden nait romantiseren. Ik wait donders goud dat t in de joaren zesteg en zeuventeg ook nait aaltied makkelk was om lu te porren veur klusderij. Mor tieden binnen vanzulf wel veraanderd…
Nou, zo ging dat gesprek. Ik hoop dat Jan en zien Moat der wat aan had hebben, kin der asmits ja vrumd in om proaten…
Soavends op bère lees ik n stok of tien bladzieden…. k Heb n stoapeltje bouken op kastje liggen, twije, drije… Aaltied n Grunneger bouk derbie, en n Carmiggelt, mor k begun mit n eernse bouk. Nou lees k “Mijn oorlogskroniek” van Madelon Verstijnen. Het in bult kampen zeten, vertelt ze over. Bin k aan bladziede 31 tou:

De Franse communistjes.
Bij ons zaten de Franse communistjes, meest fabrieksmeisjes van nederigen huize. Maar verre van nederig was hun instelling. Groots vond ik die.  Zij beléden het communisme. Zij deden alles voor elkaar (en voor anderen). Zij kwamen voor elkaar op, zij verdedigden elkaar, vingen elkaar op, kortom, zij gingen voor elkaar door het vuur. Altijd vriendelijk, altijd behulpzaam. Ik heb ze tijdens de Mars doende gezien een compane, die eenvoudig op was, hangend tussen zich in mee te zeulen, want neervallen en achterblijven betekende onherroepelijk het einde. Ten koste van eigen spaarzaam resterende krachten. Eigenbelang telde bij hen ook op dat moment niet. Het was: elkaar. Letterlijk: kameraadschap, kameraden, dat zo dikwijls in communistische landen loos gebruikte woord. Van politiek communisme hadden zij geen weet, evenmin als ik. Meerdere malen heb ik getracht mijn licht daarover bij haar op te steken, maar zonder resultaat. Op dat gebied ben ik dus niet veel wijzer geworden. Maar één ding staat vast. Zij brachten, wat zij onder communisme verstonden, in praktijk: gemeenschapszin.
Ja, geweldig vond ik die meisjes.”

               Mijn oorlogskroniek

“Mijn oorlogskroniek” - met de ontsnapping Buchenwald-Colditz  15-21 april 1945 - MADELON L.VERSTIJNEN - 96 blz. - ©1991 M.L.Verstijnen, Voorburg